moment (111)


paard (cb)(voor cb)

in de dagen, nachten dat je bij mij lag,
onze monden die eensluidend zuchtten,
(het slaken om mededogen, zo vruchteloos).
vergeet mij niet want dan vergeet je ons.

smeken doe ik niet, ik zie een anjer
die ons een ochtend geeft, geschenk
dat ik in dank aanvaard. bloemblaadjes
dwarrelen rondom mij, kleur & geur

die mij omringen, strelen & vergeten
doen wat onvergeetbaar is. schoonheid
is een harde leraar, kletst mij met verdriet.
sla maar. maak mij huilen. niets vergaat.

ik heb een beeld van jou dat eeuwig is.
eeuwig is niet meer dan een moment.
de dageraad is niet ver. tijd is ontelbaar.

moment (110)


(voor cb)

“Raro un silenzio, un solitario orrore
d’ombrosa selva mai tanto mi piacque;
se non che dal sol troppo si perde”

(Petrarca 176)13781714_565462356991539_6423127291256035390_n

zelden deed een woud mij zoveel pijn,
zelden heb ik zo diep de duisternis gezien.
je kan het voelen, weet je, met je hand erin
het kolken zwart rondom, verloren werelden.

roer maar, liefste. breng het donker in beweging
laat het zonlicht al mijn angsten kennen. breng
naar buiten alles wat niet binnen blijven wou.
ik hoor uw stem nog in het ruisen van de bomen.

ik zie uw lach als ik mijn ogen sluit & voel uw lijf
in elke vingertop. mijn bed is  zee, het kabbelt
aan het strand van de ochtend. geen ochtend.
enkel verder duisternis. mijn ogen bloeden. dood

wenkt. een oude duivel doet zijn zin met mij & u.
ik vraag je in grimas of het geen zin had, of
gij dan niets geloofd hebt van mijn woord.

moment (109)


cbdv170(voor cb)

jouw leven is het mijne niet. mijn zon
is de jouwe, maan & muggen delen we ook.
er is in mijn hand een kramp die mij verkrampt
hand in hand zoals we waren, geklamp

aan elkander, verstrengeling van aan dood
gewaagde lijven. waar ben je? leef je nog?
ik ruik je adem nog, hoor jouw gesnurk.
mijn paradijs is van haar engel ontdaan.

ken je petrarca? Ite, rime dolenti al duro sasso.
ik volg je met de gulheid van je gaven, altijd.
mijn tuin is bezet met afdruk van je voetjes.
ik zie de lijnen die je maakte als muziek.

bloemen zijn er waar je was, vergaan.
vlinders die de streling maken die je deed.
zucht van jou, briesje om het naakte dat ik ben.

 

moment (108)


cbdv170(voor cb)

zon & maan staan in een strak verband.
asfalt is verdund het zwart der hemelen.
ik spreek staccato onze namen uit, stotter,
hoest. de klank van onze lijven wil er niet uit.

ik ben te min & poolse paarden trappelen,
regen, slijk. gelijk als gij is er niet één.
het kletsnatte brandhout wil geen vuur
meer vangen. ik sterf in greppels geblust.

moment suprème toen voeten samen waren.
het dorp waggelt & zinkt. bodemtroost.
op & af de wereld wankelt, het schone sijpelt
uit de verzen als vergane glorie, koepelruimte.

bezet mijn stad. vergeef mijn tuin met al
je zonden. sproei de bloemen dood met jouw
verlangen. afgunst, liefste, is een mooie kunst.

 

moment (107)


“gezegend zijt Gij Maria onder alle vrouwen want Uw buik Is onvruchtbaar”
PvO, bezette stad

cbdv169(essay, voor cb)

poëzie bestaat niet. het is een inventie om
het tij van de lyriek te keren. maskerade
van een universum dat zichzelf niet zien
wil. vrij zijn wij, maar oud staan huizen

wirrel warrel débacle, troepen grauw & grijs,
gemurmel in het snot van internet, dat al
sinds lang van ons verkouden is. dorpen
waggelen, woorden groeien wassen razen

zinken. kapotte kadans bij marsman op de
bodem van de oorlog die getrouw de oorlog
volgde. ben ik dat? ben jij dat? neen. samen
zijn we het wel. ontkenning is bevestiging.

ik schrijf jou uit tot honderdzeventig verzen. dan
heb ik niets meer dan de zon die mij de nacht
komt spellen. letter na letter. jouw naam, mijn maan.

moment (106)


cbdv168(voor cb)

mijn liefste ondergang, sluitsteen van mijn leven.
het is zo eenvoudig allemaal & de tragiek beeft
in het ontvangen van het tragische. kind, liefde
op zichzelf, onmondig, spiegel van verlangen.

het wapperen in de drieste wind van haren
die jij plukken wou, seconde na seconde.
de vege uithaal naar het verlorene, vergeefs,
net zoals ik bij jou lag, jouw ogen schitterend,

nat van alle schoonheid die wij zagen, wij,
alleen, in de laatste onzer dagen. het nut
heeft nu genoeg belang gehad. opstand
lijkt mij aangewezen. door wie? niet ik.

sta op, mijn mona lisa, ontketen alle stormen.
maak de zeeën frenetiek, vernietig zorgen &
de pest van het gelijk. draag mij, draag mij.

 

moment (105)


cbdv167(voor cb, vrij naar een nocturne van lb)

mijn brein doet rare toeren,
misplaatste grappen over hoeren.
ook al is mijn lijf geheel alleen,
het kolkt, sushi slibbert er omheen.

de dagen vertragen tot een nacht,
geen wijn of bier geeft mij nog rust.
ik hoor verhalen over mij: oh pracht,
ik word verpopt van berg tot kust.

ik zie zo velen buiten blaten om zichzelf,
iets dat hen leidt, een land dat past.
ik braak de dag maar uit & zoek mijn elf,
ik heb mijzelf in natte dromen ingelast.

een monster roert zich in mijn catacomben,
ik hoor jouw luister sluipen over autostrades,
elfje, welpje, panter in mijn nacht: kom zacht.

 

 

moment (104)


cbdv166(voor cb)

ik vind geen troost meer in de wind & regen
rondom mij, de zon heeft alle jurkjes afgedaan.
hij staat daar nu vergeefs als man, naakt, geel,
met het wit van de haat in stralen onbegrip.

het brandt, het brandt, jouw hand in de mijne.
soms voel ik jou terwijl ik dronken masturbeer,
er komt dan licht op mij, maar er is er niet meer.
ik daal mijn kerker in, het koude van de ketting,

noteer het snuffelen van ratten aan mijn lijf, zie
hoe ik verloren ga, het geknibbel aan ons rijk. sterf,
wordt er gefluisterd, ga nu toch eens dood, ik
weiger omdat ik ons ben, het laatste bastion.

met de zachte zeden van begrip wordt niets niets,
een soort eeuwigheid. grijs heeft alle kleuren. tja.
in het trillen van de zonnebloem zie ik jou, mijn maan.

moment (103)


cbdv165

(voor cb)

wij zijn verloren, kwijt in een wereld
die niet de onze is. jij had nog een keuze
& het is goed dat je die nam. maar ik,
wat ben ik nog buiten dit gezwam?

ik staar naar lijnen in mijn hand alsof
ik schrijf alsof ik schrijven moet alsof.
ik teken liefde op jouw borsten, schuw
de lijnen niet & sterf van eenzaamheid.

bloei, mijn bloem, nog eenmaal in mij uit
vergeef mij dit gejank dat jou onwaardig is
liever zou ik bezingen hoe schoon jij bent
maar ik ben ook beperkt tot wie ik ben.

ik leg mij neer bij alle feiten. alle feiten
worden slangen, misbaar in mijn bed vol slijk
dat ooit een troon was, hemels ledikant.

les molinets à la plage


 

DSC04278“Les Molinets à la plage”

cbdv 2016, woodchips, bister, ink, papercuts, flower petals & metallic paint on paper, pasted on wood A2

Les Molinets à la plage

mama mama er zijn monsters daar
zoontje bouw nu maar jouw zandkasteel
papa rookt & drinkt martini, het
appartement geurt naar zweet & drek.

mijn bootje van papier gaat straks
naar dover varen, bots de krijtrots op.
mama wil haar borsten bruinen, papa
loert door lenzen naar wat anders.

ik wou dat ik een zusje had, dan konden
we samen ons kasteeltje bouwen &
wachten op de zee, wachten op de zee

mama mama er zijn monsters daar
de zon zont langzaam naar zijn ondergang
het vissersbootje toetert naar zijn vrouw.

DSC04279.JPG

moment (102)


cbdv164(voor cb)

ik spook, jouw lief is dood. ongehoord ik vlij mij
bij de schoonheid neer die diep in jou geborgen
zit. steels streel ik je huid & zucht een zephyrus
je haren door. een kreun, een zucht verlaat jouw

lippen. traag er komt beweging in jouw slaap.
een arm schiet snel & plots & met een stille dreun
doorheen mijn splijtend spokenlijf. petas lilith
kama-rupa!  phfoef. ik zie die glimlach krullen,

jouw naakte rug die in het laken drukt & wiegt.
een tepel rijst als roze rots bij eb uit zee. rood
jouw wangen kleuren, een weeë druppel parelt
uit het verbodene, de geile grot van het genot.

jouw adem neemt een hoger ritme aan. hand
als hete lucht, vinger in jouw vinger. jij draait &
draait & vindt zijn rug. ik sterf mijn tweede dood.

moment (101)


cbdv163(voor cb)

de adoratie van de geliefde staat
in de weg van de geliefde. haar
verheerlijking ontkent haar heerlijkheid.
elk woord verdoet haar lijf & leden

tot doodse letters zonder daad. ik
spreek mij uit in haar maar zonder
stem & mijn verlangen faalt waar
ik niet ben, ontdaan van haar, gebroken

tot een los verband van stom gestamel,
terwijl de wind haar naam wel fluistert
& ik in bomen bloemen bos haar zie
& vogels zingen elke ochtend haar muziek.

mijn lief, waar zijt gij henen? gij koos
mijn dood & liet mij nog in leven:
in deze helse taal zit ik nu te beven.

moment (100)


cbdv161(voor cb)

als jij mijn dood wil, wil ik die jou geven,
ik zie niets beters in dit leven, ik omarm
het zwart, het slingeren van slangen
duisternis die mij bekruipen. graag

lig ik in jouw armen (nergens anders niets.)
mijn liefde voor jou is onherstelbaar.  genot
dat ode is aan leven omdat jij mijn leven bent.
maar je zegt niets. je doet niets. begrijpelijk
omdat begrip een begrip is, & dat grijpt
tot diep in mijn lijf, alsof ik word uitgerukt,
verwijdert van dit bestaan, ontdaan van recht
ik ben onbestaande in dit heelal, zon in leegte.

ik blijf van u mijn lief, maar wat ben ik nog?
elke dag maakt mij minder, ik heb u nodig.
ik denk dat ik in u ga verdwijnen. vaarwel.

 

moment (99)


cbdv159(voor cb)

je moet eerst vallen voor je vliegen kan,
vertraagde vlucht, aarde als bedreiging
vol beton & zonder zucht. plots terug lucht.
blauwe luchten hebben zwart erachter

waarin je zweven kan & dromen ik heb
het ergste nu wel achter de rug. zo breed
is niet die smalle lijn die wij belopen
de wervels ik & jij zijn flinterdun.

de toekomst is een schim van het toekomende
waarin de dood ons allen wacht & lacht.
je moet eerst rennen voor je lopen kan,
kruipen, smeken, vooraleer je tanden hebt.

jij moet niets. jij hebt het zalige gevonden,
de kracht van het verrukkelijke waarin ik
lelijk leef. ik wil in jou sterven wijl ik beef.

moment (98)


cbdv158(voor cb)

engeltje, angeltje, lief van mijn lijf, steekwesp
in het volle duister van mijn nacht, streling
van duimen & voeten, laatsteling  van mij,
afronding van mijn miserabel heelal, ik

die niets heb gedaan. diefstal, ja, van liefde.
vergeef mij de eenzaamheid der gedachten.
je hebt mij duidelijk gemaakt dat ik
niets waard ben. soit. het wit op een blad

vraagt om beschreven te worden. dan maar
zonder mij. ik word vlinder in jouw buik,
rups op je armen, rode verf op je penseel,
zucht in je mond, de uitademing van een wereld

die niet de onze is maar ons omwentelt
je veux et je viens entre tes reins. elke
nacht. de nachten zijn heerlijk afgrijselijk.

moment (97)


cbdv157(voor cb)

pimpel pimpel pimpelmezemeis, hoe
kon ik jou verliezen? qu’est que c’ est
que ça, mijn snoezepoefelwoef? in het
vèrnis der dagen kijk ik uit naar jou.

de eeuwen volgen wel, minuten ook,
& elke seconde dat ik jou als deel
van mij tot in mijn kloppende aders
mis. jij bent het beste dichterssletje

ooit, vergeten kan ik jou nooit. wat
ben ik nog zonder jou & jouw afvallige?
ik weet dat weldra wij elkaar gaan
wederzien, hoezeer ook jij dat ontkent.

je veux te frotter, mijn liefste, teder
als een vlindervleugel die vanavond
sterven moet. kers. touf de fouf. slaap.

 

 

moment (96)


cbdv156(voor cb)

mijn treuren is een wrede god die zomaar
over mij beslist. hij verandert lachend licht in
droeve duisternis, hij geeft mij ‘s ochtends
heel de blijdschap van jouw wonderlijk bestaan

om het dan in mijn gemis weer stuk te slaan.
mijn treuren is een duivel die mij voedt
met liters drank & jouw schoonheid die verblindt.
mijn huis is gans bekleed met parels, tranen,

uitgestold verlangen, tijd waarin ik jou niet vind.
ik zie de bloemen, vogels & de vreugde alomtrent,
terwijl mijn lijf zo leeg is & mijn stem slechts kermt.
mijn treuren is een deken in het bed waar jij niet bent.

ik moet nog dagen wachten, dat hebben god & duivel
mij vannacht in deze hel verteld. dwaze woorden.
de dag bestaat niet dat ik mijn liefde, jou ontken.

moment (95)


cbdv155(voor cb)

ik ben alleen. alleen voor jou. waarom
dat weet ik niet. de vogels spellen mij
jouw naam, ik zie  bloemen wiegend
liedjes voor jou zingen, zomaar, zonder

mijn gezag. misschien kijk ik wel weg
van mij, van jouw satijnen huid die
mij met erbarmen bekleedde, lippen
die mijn lippen zoenden. zie ik mij niet?

ik verga in jou. stilstand van de tijd.
herinnering is geen belofte. beloven
doe ik dit: niemand kan jou raken,
heel de lucht zit engelachtig dicht.

kastelen zal ik voor jou bouwen, kerken,
hier en daar een sloens gehucht. ik schenk jou
nu alvast mijn kathedraal, omdat ik van je hou.

moment (94)


cbdv154(voor cb)

ik heb gedroomd dat wij vlogen, onze schouders
in elkaar vergroeid tot monsterlijke vleugels.
spier op spier voelden wij elkaar, vel op vel.
onder ons verschroeide de aarde, mensen

werden lucifers. nu droom ik dat wij vliegen
vrij van al het kwaad. geef mij de ruimte
om je lief te hebben, toon jezelf, tot wat
ben jij in staat? ik kan de hemel openrukken

voor jou, tot je de koude ziet van het heelal.
er ligt een steentje in mijn hand dat alles zegt.
ik wil niet dat jij ziet wat ik zie, zo’n vloek
brengt enkel ergernis, ongeduld & misverstand.

ik heb jou zo lief, mijn lief, dat ik met mijzelf
jou niet raken wil. alleen de droom van jou
& mij is te mooi, hoe wij vliegen, wat wij zijn.

moment (93)


cbdv153(voor cb)

is het niet beter dat ik sterf voor jou? dan
ben je ook van al dit gemis verlost? het
lijden aan overlijden, hemel die er maar
niet meer, niet komt? ik heb genoeg gezien

van het gestrompel in de gangen van het niets,
ik ken het opgefrompelde fatsoen, de glimlach
naar nu terwijl er nu geen nu meer is. hoe wij
waren, besluiteloos in de zwarte cel van de tijd.

ik wil mijn leven in jouw handen geven, rillend
van angst omdat ik sterven moet, maar is het
niet beter dat ik dat ongezien doe, opdat jij jij blijft?
ik heb jou altijd alles willen geven. dit is blote rest.

rust vind ik hier niet meer, ik denk teveel aan jou.
word elke  dag wakker met een plukkehare hoofd
op mijn schouder, dat er niet meer is. dank je.

 

 

moment (92)


cbdv152(voor cb)

in het spel van licht & donker krijgt
het zwart altijd de bovenhand. niets
daarvan is triest, alles is in niets & niets vervat.
elk moment is diefstal, streling van het oog.

van liefde natte vinger zachtjes op de iris,
wimpers die je amper raakt tot alles strandt
in een vergeefs betoog. beuken tot je komt,
terwijl ik jou slechts omarmen wou met ons.

ik wil mijn huid bedekken met het zoenen
waarvan ik droom, bleek laken waar ik
onder slaap, bevlekt met jouw verlangen.
laat ons de wereld nog eenmaal tonen

wie de wereld is. dat waren wij. mijn handen
zijn getuigenis. beweging herhaalt beweging.
elke lijn daarin is vol vergiffenis. wij zijn is.

moment (91)


cdbv151(voor cb)

het is maandag & de maan is weg
het is dinsdag & de dag is weg, weer
woensdag zonder zoen. zon streelt mij,
geeft mij les in sterven, shine on you

pretty thing. ik heb het wrede in handen,
de kruimels liefde liggen aan mijn voeten.
ik durf niet meer bewegen, niets heeft nog
een schaduw van jouw schittering, spiegel

die brak in de ernst waarmee wij wij waren.
de lucht snijdt, ik heb geen bodem meer.
ik word stilaan verschoppeling, rijker
dan ik ooit geweest was, ik voel jouw huid.

hoe ik verglijd, vergleed in jou, vergeet
dat ik besta, vergat, de tijd is een illusie.
mijn leven is doods, herinnering aan jou.

 

moment (90)


cbdv150(voor cb)

ik treur niet omdat ik treuren moet, ik treur
omdat ik niet anders kan. je hebt mij verlaten
in de volte van je belofte, bruut & schuw
van het verlangen dat wij samen kenden.

de reden was correct, de oorzaak niet. doe
mij dood, zet mij het mes op de keel, alles
is beter dan dit verdict. ik kan niets zonder
jou, ik stamel & ik strompel, waardeloos

in de albert heyn van het heden. de draad
van jouw naar mij is slingerende klimop
met knopjes bloemen op, geel & wit
de schoonheid die wij waren is ongezien.

probeer het lied te zien, de kartels om wolken,
het fijne streepje inkt dat ik jou bijbracht, ik
wil dat het je goed gaat, maar zo, zo gaat het niet

moment(89)


sbdv149(voor cb)

de stilte valt zoals een stilte vallen kan,
droog, een straaltje water in het zand.
de adem is niet uitverteld:  des nachts
ril ik omdat ik mij hoor ademen, heb

geen recht meer op die lucht. schuldig
ben ik niet, maar alle schuld is wel mijn
deel. had ik maar, mijn hand in haar,
de tederheid kunnen mededelen, liefde

die hier nu vergiffenis vraagt, onmacht
die zich aan een touwtje hecht, een steen.
ik nijp mijn kont toe voor de dood die
komen gaat, ik heb dit niet verdiend.

alles wat ik zie van ons is schittering,
oogverblindend zonlicht & verstrengeling,
de eeuwigheid vergeefs gevonden in elkaar.

moment (88)


cbdv148(voor cb)

de wereld is een tekstverband waaronder
liefde woekert. open wonde, ongezien, mis,
fout & slopend stout. het regent. ik heb jou
niet gezien, je had de kap op van een ander.

de wereld is een code die ik niet lezen kan,
ik slaag er niet in, geheel onbekwaam, als
mijn schoonheid niet duren kan, laat ze
vergaan, ik zal u de data laten geworden.

vergeefs, in mijn donker hol treur ik om
jou, ik voel je lichaam als het mijne, rein,
bevrijd van kwade wil, alleen de wens
om naakt, belangeloos bij u te zijn. ik

heb u lief, mijn lief, er is zoveel dat ik
je nog zeggen wou, de vlucht van vogels,
de stilstand van een bloem, & jij. jij.

moment (87)


cbdv147(voor cb)

wat voorbij is krast mij in de ogen als
ik omkijk. ik dacht daar een eendere
schoonheid te vinden, die er niet meer is.
de dood is prozaïsch & banaal & kil.

niets van wat ik denk (het regent) houdt
steek. ik kom steeds op hetzelfde punt
terecht in de spiraal. daar sta ik dan te
treuren, boekje bevend in de hand. stil

bij het tikken van de scheve klok, dronken
strompelend van a naar z. ik haat mijzelf
bij het zingen van de vogels, het razen der
dure automobielen, neerwaarts. niets

voelen is heerlijk, een zwart zweven waarin
al onze kleuren zijn vervat, de uitwaai van
gevoelens, zachte vlindervleugels om mij heen.

moment (86)


cross_inv

moment (85)


cross

moment (84)


vooruitgang(voor cb)

het (de stekels verleden krassen hem de ogen
kijkt hij om & verschrikt dacht hij het schone
nog te zien kijkt hij weerom het zwart in & het
melodieuze zuigen van de afgrond blow job

van de dood. in spiralen zijn rottende denken
houdt halt bij eender punt op de doorsnede
falen het grijpen van de ten dode naar begrip
kale plekken in de bonte zwerm van zijn droom

tik zoekt de tak van de klok maakt de intro met
dalende polluenten. koffie zoekende de koelkast
zet in haar spacey beat & toch ook daar zijn
roekoe & krijskraai & suskewiet. weent) regent.

schreeuwen zal ik bij het onthaal kopstoot
vuisten links & rechts voor man & hond 3
x de lethe in tot ik ginds voor jou versteen.

 

 

moment (83)


cbdv132(voor cb)

het gieren van de wind (de wind giert)
het razen van de wind (de wind raast)
het gillen van de wind (de wind gilt)
het woeste van de wind  (de woeste wind)

het beuken van de golven (de golf beukt)
het kabbelen der golfjes (de golf kabbelt)
het schone schip verleden (de golf beukt)
zalm spartelt naar de zee (de golf beukt)

de zee stoot diep het land in  (het land wijkt)
de klok galmt in de dorpen (het land wijkt)
straks lacht het natte land (het land blijft)
met de kusjes van de wind (de golf beukt)

ik maak mist op jouw zompige land, tranen
sissend in mijn vuur. jij zegt haastig dag &
trekt de nacht in. ik blijf staan. ik kom terug

 

moment (82)


cbdv145(voor cb)

ik heb gedroomd vannacht dat zij de trap kwam
opgeslopen & mijn kamer binnenkwam. haar
kleren lagen in luttele seconden op de vloer. zij
vleidde zich tegen mij aan, streelde mijn borst,

ik draaide mij om & lippen vonden lippen, tong
vond tong. ik streek haar nat & open, zij greep
mij stevig beet, ik gleed in haar, even later kwam
zij klaar. dat was dan de studieronde. eng is het

als je dromen louter de herinnering verbeelden,
niets meer dan dat. gevangen in de grot van plato:
droom, herinnering zijn schijnsel, & onbereikbaar
ver, zweeft het idee ervan, het feit, verloren in de

tijd. ik wil ontsnappen, nieuwe feiten, dromen
van de toekomst die dan ‘s ochtends blijken
uit te komen, zij die op de sofa bij mij ligt.

moment (81)


cb1(voor cb, op haar verjaardag)

elke zonnestraal is als een lach van haar.
de rode gloed in de hemel bij zonsopgang
is de weerschijn van de warmte in haar
hart. als ze weggaat is de eclips totaal.

de schoonste bloem is vol ontzag voor haar.
zij buigen zich, of gillen pluk mij, pluk mij!
maar zij, zij plukt zich achteloos een haar.
als ze gaat verwelken zelfs de paardenbloemen.

elke vogel zingt zijn eigen zang, maar
als zij wandelt door hun bos wordt alles
één groot koor, bejubeld wordt haar naam.
als ze gaat, wordt het heel erg stil in ‘t bos.

er is een dichter die haar dieper kent,
die mocht proeven van haar paradijs.
nu ze weg is, wacht elk vers op haar.

moment (80)


cbdv144(voor cb)

wij zijn god, & zijn geboden. wij liggen
naakt op het strand van de zee die wij
zijn. wij liggen daar in elkaar te geloven
& de zee golft zachtjes met ons vrijen mee.

er komt een storm, wij vluchten weg
van de zee die wij zijn, landinwaarts.
de eerste huizen scheiden ons tot ik
& jij. ik trek een deur toe achter mij,

maar waar ben jij? De meeuwen krijsen
wei wei wei. het ene wordt gespleten in
de vreugde van geluk & ik, wanhopig
zoekend naar een weg terug in de tijd.

een nacht lang beuken woest onze golven
maar tijd is een illusie. wij zijn god
& de zon lokt ons weer naar het strand.

 

moment (79)


cbdv143(voor cb)

mijn wanhoop is weg. weg naar de hel
van de hoop. beiden zijn misschien de weg
naar een toekomst zonder hoop. bomen
wiegen hoog hun toppen in de lucht.

zinloos wiegen zonder zucht. henri je
t’ aime proet proet. pipelife 40×1.8-pvc
afvoerbuis. kiki je t’aime interieurement.
woordloos vogels zingen liefde in de bomen.

henri fait pipi et kaka avec moi. liefde
is de weg wég van de hoop. fouf fouf.
j’ aime le chocolat noisette. wolken drijven
over. hun huid is zon, het hart is regen.

als ik klaarkwam werd het licht een zwart
met duizend sterren in & jouw zuchten
aaiden mijn hoofd alsof liefde echt bestond.

moment (78)


cbdv142(voor cb)

in mijn rouw, een huis bezaaid met lijken
vliegen vormen vormen die lijken op jou.
verdwaasd, verdwaald & suf & dronken
ben ik, er is geen tijd meer voor mijn zijn.

in mijn rouw sta ik te slapen als een paard,
mijn lijf dampt nevel, de aarde en ik
zijn één, ik ben verworden tot een steen.
bewegen hoeft niet meer, overal is nergens.

in mijn rouw komt er zee uit mijn ogen,
mijn handen trillen, ik lig in bed te rillen.
ik ben een kind van vier & mama, nee
die is niet hier. grauw & kil is mijn rouw.

in mijn droom zie ik een schicht van licht die
al het zwart tot klaarte openvouwt: jij
die
naast mij ligt. ik word wakker in mijn rouw

moment (77)


“May I kiss you then? On this miserable paper?
I might as well open the window and kiss the night air.”
Franz Kafka

cbdv141(voor cb)

het is april & plots is daar een welhaast
zomerse dag. ik hou van jou & jij van mij.
mag ik je kussen dan? in dit miserabel
tekstbestand? ik kan beter het briesje

buiten een tongzoen geven, een boom
omarmen, de aarde van de moestuin
met twee vingers penetreren. wanhoop
is mijn deel. ik herinner mij de echte

zomer, toen eenzelfde geest onze lijven
tot volmaakte eenheid bracht, pracht
die ik nooit eerder mocht beleven. snak
jij niet meer naar hetzelfde dan? onmacht

beheerst de wereld, duizenden tentakels
van eenzelfde monster. wij zijn ontsnapt
daaraan & waren glorieus & schoon & één.

moment (76)


cbdv140(voor cb)

wij zijn getekend naar het leven, voor
& door elkaar. onze monden monden uit
als slingerende meanders in elkander. een
hand van mij vindt blindelings jouw hand

lip op lip, tongen slingeren, verslingerd
als we zijn, verstrengeld in elkaar. ik
verga in u, sneeuw voor de zon. lente
is langzaam, net zoals wij waren. koud

met heel de zomer in ons lijf, verkild
maar elk einde is een nieuw begin. stil
zoals de daad vergaat in enge dromen
de dodelijke angst dat niets nog komen zal.

maar liefsteling, de wereld is heelal voor ons
de vogels ‘s morgens zingen mij uw naam
lucht omarmt de eeuwigheid van ons bestaan

moment (75)


cbdv138(voor cb)

in de weerwil van het onverschil blijft
onverschilligheid bestaan. in de schijn
van vals genot blijft er genieten over.
dingen die je doet, niet doet, alvast

mijn oordeel is dat iets er niets toe doet,
hoeveel je ook om iemand geeft, niets
komt ooit terecht. wanhoop heeft zichzelf
als instructie aangericht? regelrechte wet.

ik dans met mij. ik kus mijzelf, ruk mijzelf
de wereld uit. ik schaam mij niet, want
ik heb niks misdaan. liefhebben wel maar
is dat een kwaad? de dagen vertragen.

als jij mij hoort, liefste, doe dan een gebaar
een pink is voldoende, hele vingers hoef ik niet.
wij zij sowieso geamputeerd. streling. troost.

moment (74)


cbdv137(voor cb)

mijn ogen zijn de wereld & de zee zit  in mijn ogen,
golf op golf, mijn lichaam zinkt in het verdriet
de tranen in mijn ogen zijn de noten van jouw lied
ik wil niets meer ontkennen, het is ook evident.

wat ik van jou gekregen heb is pracht & praal
streling rond de streling van verstrengeling
omarming van de armen rondom ons & ons
bloemen die elkaar in bloei ontloken deden

wat rest is rust, een onvergeeflijke vrede
de verschrikking van geheel de rede
last post voor heel het menselijk bestand,
daadwerkelijkheid met dood omschreven.

ik voel het golven van het water in de golf
ik hoor het zingen, de liefde in jouw stem
ik voel de warmte, wil jou terug zoals ik ben.

moment (73)


cbdv136(voor cb)

mijn handen wrijven in de handen
die de jouwe zijn, mijn benen doen
vergeefs een kronkeling naar jou
de leegte in het bed is laag, gemeen

alles lijkt op niets, maar niets is alles,
het gebrek aan jou doet mij teniet
verdriet dat langzaam kantelt naar
verlangen, verlangen naar verdriet

geschommel & een beetje beven, bang
omdat de dag mij genadeloos verniet
de zon gooit glorieuze tranen in mijn ogen
het magnifieke druipen van dit heelal

de draad die ons verbond, verbindt is dun
rag dat om ons is geweven, spijt om spijt
die ons omgeeft, wereld die ons omringt

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 192 andere volgers