moment (121)


cb67(voor cb)

het ogenblik is geen moment, het is daar
waar ogen opengaan. artichoc, uitbloei
van liefde in liefde, iteratie van een daad
& dagelijks de zon komt toch op, welk kwaad

kunt ge mij verwijten?  lekker is wat lekker is.
de droom daarvan is mij ontnomen, zwarte
wolk die ik omarm. & wat dan nog? niets
ben ik vergeten, niets heeft ooit meer dan nu

bestaan. ik lik je lippen, maak van jou een straal
zekerheid, vaste grond waarin ik bloeien kan,
bloem voor jou, met ettelijke zuchtende kelkjes.
oorverdovend ben ik soms, ik weet het. dat komt

omdat jouw oor niet open staat & alles vergaat
in het niemandsland waarin mijn strelen stilt
omdat er stilte nodig is in de drukte van het strelen

moment (120)


cb66(voor cb)

“E’ mi par d’or in ora udire il messo
che madonna mi mande a sé chiamondo
cosi dentro e for mi vo congiando
e sono in mon molt’ anni si dismesso,”
Petrarca 349

ik zie mijzelf mijzelf niet meer. oude schim
vervloekt door het verlangen. wie ben ik?
een stempel van jouw huid, geluid dat
muziek wil zijn, streling rond jouw wangen.

ik wil de dagen in de dag besluiten, overgang
van hier naar nergens. de avondlijke zonnegloed.
samen naar wat diertjes kijken, samen zien
hoe schoon het leven is. ik prijs de dag

dat ik mag sterven, omdat ik jou ontbeer.
een carrousel, kermis, iedereen die vrolijk
is omdat ik jou verlaten heb. feest van angst
& pijn. & dan als alles zichzelf herkent,

wil ik je zoenen, langzaam, lippen eerst
& dan de tongen die niet spreken konden,
de rilling in je schouders dat ik jou ken.

moment (119)


cb65

(voor cb)

in de gedachte ontwikkelt zich de gedachte
(het oester parel ding) in liefde gaat liefde
aan zichzelf voorbij (teveel haast). smart
kent geen einde, aan het lijden komt geen eind.

er zijn zovele rode bakstenen om ons heen.
huis waarin het leven leven zoekt & enkel
grijze haren vindt van het verlorene, spijt
omdat niet ik, niet jij bewoonbaar zijn.

ik voel u rondom mij, mortel van vertrouwen,
tempel van vreugde, kist waarin ik liggen moet.
de pijn van de verdoemenis is zoet, groet
aan de schoonheid van het verledene, leed

waarin het lijden aanvang neemt, anaconda
die mij wurgt terwijl ik slapend lig te rillen.
ik ben niets waard. vergeet mij, hou jezelf in stand

moment (118)


cb64(voor cb)

“Il sonno è’n bando, e del riposo è nulla;
ma sospiri e lamenti in fin l’alba,
e lagrimi che l’alma a li occhi invia.”
Petrarca 223

hoe ik je mis kan ik niet vertellen. vertellen
is verraad. geen slaap wordt mij gegund. dat
is dat. dus wat doe ik ? niet slapen & wachten.
open ogen zeggen niets, het lijken wel woorden.

het blinde noodlot heeft mij dit aangedaan
ik ben gebroken als verteld verhaal. een
lucifer die niet wou branden, fragiel voor
het vuur dat wij waren. ik wil geen dag meer

als dat dag is zonder u. dag dag, welkom nacht.
ik ga in mij verdwijnen, word kikker, groen
& slijmerig, zwemmend in een poel verderf
& van de zon kan ik niets dan zwart verwachten.

uw maan is reikende naar mij, een volle cirkel
uw geur zit in mijn kleren, uw zweet op mijn huid.
mijn leven zonder u is sluipgang naar de dood.

moment (117)


cb63(voor cb)

het afgrijzen in mijn ogen is zo groot
als de hoed die ik niet heb. mijn hand
klampt zich vast aan een waardeloze staaf.
ik ben de slaaf van mijn verlangen. zielig

in een rijk dat niet het mijne is. koning
die een paard wil maar niet bereid is
zijn rijk te verkopen. jouw haren die
mijn slapen raken, die tinteling ting ting.

kraaien kraken open de wereld waar ik ben.
muggen willen bloed van mij.  begrijp ik niet.
mijn hart is open wonde, neem dat dan als nest.
niemand luistert nog, alleen mijn mooie hond.

de bomen wiegen in het ritme van ons vrijen
de bloemen stralen jouw schoonheid uit. ik
wieg mij in de zee van het vergane, jouw besluit.

moment (116)


cb62(voor cb)

de herinnering is een pasmal rond het verleden,
dat kader gaat niet weg voor je alles hebt herkent.
droevig is dat niet, gewoon het leven. de wind
in je haren, een blouse die jou zacht omzwachtelt.

kijk naar de dagen. voel de tederheid der nachten.
ontkenning is een slechte deugd die wonderen
doet. schiet mij neer, jaag een kogel door die
vervloekte kop van mij. breek mij af tot ik

niet ik meer ben. genade wil ik niet. doe het
kort, meedogenloos. de pijn die ik nu verduur
is harder dan marmer, daar zit geen david in,
& de hoop die ik heb is een verdomd vermoeiende

gedachte. daar waar wij zijn is het zonneklaar.
daar is geen sprake van verdoemenis of hel,
enkel liefde die de liefde liefde geeft. maar waar?

moment (115)


cb61(voor cb en bj, bij zijn dood)

onvermijdelijk zijn wij  samen in dit leven,
eeuwig op zoek naar een schoonheid die pas
leeft in het nederdruisen van regen. als
het slot komt zou er een sleutel moeten zijn.

die is er  niet. wij hebben enkel dit moment.
sterven is een noodzaak, alle dagen zijn geteld.
ik ben daar blij om, eigenlijk. die schoonheid
is niet aan ons besteed. wij moorden dagelijks.

wie gaat ons vergeven? vrienden die geen vrienden
zijn, een slopende vorm van verdraagzaamheid?
geslenter met elkaar? doorheen de droefheid
van het pad van de wenende nacht zien wij

een maan, en dat ben jij. cocon die nog
wil vlinderen voor een dag of twee met mij.
het vergeefse van dit alles maakt mij blij.

moment (114)


cb60(voor cb, met dank aan de bijdragen van de bezoekers van Bezet de Tuin)

verwende verwaande hanzaplasten met de schrik
in uw broek. knaagdieren in mijn vlees. vrak. schel
schelt de bel. heil de senegalezen. iemand speelde bach
te deum la victoire pijpen & krijsen. schoon was het

eens. stompe knal. kris kras amourettes collectioneren
vliegermasjien weren. nihil nihil nihil 14 punten. anna,
uw buik is onvruchtbaar. de lege pomp van het verlangen.
we zijn in oorlog & u rijdt met elekriese fietsen mijn

berg op. uw neus bloedt echt, ge moet niet doen alsof.
vlees. de huivering. horror kolkend in het bloed. stomp
mes dat in uw darmen snijdt, de halzen keelt. hart
dat naar zijn einde klopt. geen haat, ik stel gewoon

maar vast. madonna, liefste van mijn leven, hoe
armtierig het ook is. jouw schoonheid verblijdt
mij elke dag, hoe ver ook, te ver, jij van mij bent.

moment (113)


cb58(voor cb)

 

in het holst van de nacht vergeet je de nacht
in het niets is niets meer ellende. dan
kan je aansluiting vinden, buizen, pijpen
eender wat, als ik maar bij je ben, begrepen.

geen begrip krijg ik nu, verdien het ook niet.
maar ik kan niet zonder de ronding, de schouders
ik schrijf maar wat, je luistert toch niet
mijn adem is de adem van een sterveling.

geprevel in de ochtendmist, dauw op planten.
ik zie de zon met alle gebrek & de maan
die ontrouw koestert. niets van wat je was
is nog waar, jij bent te ver van mij & ik

van jou, terwijl ik zielsveel van je hou.
hoe moet ik leven dan? een stam in een bos?
dorre tak bedoel je, die je afknapt met een lach.

moment (112)


(voor cb)

“E’ mi par d’or in ora udire il messo
che madonna mi mande a sé chiamando:”
Petrarca 349

cb57

jouw afwezigheid vertaalt zich in een leegte
waar doorheen de wind speelt met een kinds
verlangen. de bladeren van afgunst wuiven
alles weg. kruip je bed in met je metaforen,

wiegen ze, alsof ik daardoor beter slapen zou.
gelukkig zal de dag zijn dat ik mij ontdoen
mag  van dit langzaam rotten dat nu leven is.
zalig de dag dat ik het niets omarmen mag.

daar zie ik jou zoals ik ben: enkel woorden,
goddeloos & troosteloos verloren, verdaan
van nu tot zwart op wit hoeveel ik van je hou.
alles wat mij soelaas gaf is toch verdwenen.

ik zie je lach nog in een vonk, je lichaam
wervelt om mij heen. dan is weer daar
de nacht die jou & mij tot zwart verteert.

moment (111)


paard (cb)(voor cb)

in de dagen, nachten dat je bij mij lag,
onze monden die eensluidend zuchtten,
(het slaken om mededogen, zo vruchteloos).
vergeet mij niet want dan vergeet je ons.

smeken doe ik niet, ik zie een anjer
die ons een ochtend geeft, geschenk
dat ik in dank aanvaard. bloemblaadjes
dwarrelen rondom mij, kleur & geur

die mij omringen, strelen & vergeten
doen wat onvergeetbaar is. schoonheid
is een harde leraar, kletst mij met verdriet.
sla maar. maak mij huilen. niets vergaat.

ik heb een beeld van jou dat eeuwig is.
eeuwig is niet meer dan een moment.
de dageraad is niet ver. tijd is ontelbaar.

moment (110)


(voor cb)

“Raro un silenzio, un solitario orrore
d’ombrosa selva mai tanto mi piacque;
se non che dal sol troppo si perde”

(Petrarca 176)13781714_565462356991539_6423127291256035390_n

zelden deed een woud mij zoveel pijn,
zelden heb ik zo diep de duisternis gezien.
je kan het voelen, weet je, met je hand erin
het kolken zwart rondom, verloren werelden.

roer maar, liefste. breng het donker in beweging
laat het zonlicht al mijn angsten kennen. breng
naar buiten alles wat niet binnen blijven wou.
ik hoor uw stem nog in het ruisen van de bomen.

ik zie uw lach als ik mijn ogen sluit & voel uw lijf
in elke vingertop. mijn bed is  zee, het kabbelt
aan het strand van de ochtend. geen ochtend.
enkel verder duisternis. mijn ogen bloeden. dood

wenkt. een oude duivel doet zijn zin met mij & u.
ik vraag je in grimas of het geen zin had, of
gij dan niets geloofd hebt van mijn woord.

moment (109)


cbdv170(voor cb)

jouw leven is het mijne niet. mijn zon
is de jouwe, maan & muggen delen we ook.
er is in mijn hand een kramp die mij verkrampt
hand in hand zoals we waren, geklamp

aan elkander, verstrengeling van aan dood
gewaagde lijven. waar ben je? leef je nog?
ik ruik je adem nog, hoor jouw gesnurk.
mijn paradijs is van haar engel ontdaan.

ken je petrarca? Ite, rime dolenti al duro sasso.
ik volg je met de gulheid van je gaven, altijd.
mijn tuin is bezet met afdruk van je voetjes.
ik zie de lijnen die je maakte als muziek.

bloemen zijn er waar je was, vergaan.
vlinders die de streling maken die je deed.
zucht van jou, briesje om het naakte dat ik ben.

 

moment (108)


cbdv170(voor cb)

zon & maan staan in een strak verband.
asfalt is verdund het zwart der hemelen.
ik spreek staccato onze namen uit, stotter,
hoest. de klank van onze lijven wil er niet uit.

ik ben te min & poolse paarden trappelen,
regen, slijk. gelijk als gij is er niet één.
het kletsnatte brandhout wil geen vuur
meer vangen. ik sterf in greppels geblust.

moment suprème toen voeten samen waren.
het dorp waggelt & zinkt. bodemtroost.
op & af de wereld wankelt, het schone sijpelt
uit de verzen als vergane glorie, koepelruimte.

bezet mijn stad. vergeef mijn tuin met al
je zonden. sproei de bloemen dood met jouw
verlangen. afgunst, liefste, is een mooie kunst.

 

moment (107)


“gezegend zijt Gij Maria onder alle vrouwen want Uw buik Is onvruchtbaar”
PvO, bezette stad

cbdv169(essay, voor cb)

poëzie bestaat niet. het is een inventie om
het tij van de lyriek te keren. maskerade
van een universum dat zichzelf niet zien
wil. vrij zijn wij, maar oud staan huizen

wirrel warrel débacle, troepen grauw & grijs,
gemurmel in het snot van internet, dat al
sinds lang van ons verkouden is. dorpen
waggelen, woorden groeien wassen razen

zinken. kapotte kadans bij marsman op de
bodem van de oorlog die getrouw de oorlog
volgde. ben ik dat? ben jij dat? neen. samen
zijn we het wel. ontkenning is bevestiging.

ik schrijf jou uit tot honderdzeventig verzen. dan
heb ik niets meer dan de zon die mij de nacht
komt spellen. letter na letter. jouw naam, mijn maan.

moment (106)


cbdv168(voor cb)

mijn liefste ondergang, sluitsteen van mijn leven.
het is zo eenvoudig allemaal & de tragiek beeft
in het ontvangen van het tragische. kind, liefde
op zichzelf, onmondig, spiegel van verlangen.

het wapperen in de drieste wind van haren
die jij plukken wou, seconde na seconde.
de vege uithaal naar het verlorene, vergeefs,
net zoals ik bij jou lag, jouw ogen schitterend,

nat van alle schoonheid die wij zagen, wij,
alleen, in de laatste onzer dagen. het nut
heeft nu genoeg belang gehad. opstand
lijkt mij aangewezen. door wie? niet ik.

sta op, mijn mona lisa, ontketen alle stormen.
maak de zeeën frenetiek, vernietig zorgen &
de pest van het gelijk. draag mij, draag mij.

 

moment (105)


cbdv167(voor cb, vrij naar een nocturne van lb)

mijn brein doet rare toeren,
misplaatste grappen over hoeren.
ook al is mijn lijf geheel alleen,
het kolkt, sushi slibbert er omheen.

de dagen vertragen tot een nacht,
geen wijn of bier geeft mij nog rust.
ik hoor verhalen over mij: oh pracht,
ik word verpopt van berg tot kust.

ik zie zo velen buiten blaten om zichzelf,
iets dat hen leidt, een land dat past.
ik braak de dag maar uit & zoek mijn elf,
ik heb mijzelf in natte dromen ingelast.

een monster roert zich in mijn catacomben,
ik hoor jouw luister sluipen over autostrades,
elfje, welpje, panter in mijn nacht: kom zacht.

 

 

moment (104)


cbdv166(voor cb)

ik vind geen troost meer in de wind & regen
rondom mij, de zon heeft alle jurkjes afgedaan.
hij staat daar nu vergeefs als man, naakt, geel,
met het wit van de haat in stralen onbegrip.

het brandt, het brandt, jouw hand in de mijne.
soms voel ik jou terwijl ik dronken masturbeer,
er komt dan licht op mij, maar er is er niet meer.
ik daal mijn kerker in, het koude van de ketting,

noteer het snuffelen van ratten aan mijn lijf, zie
hoe ik verloren ga, het geknibbel aan ons rijk. sterf,
wordt er gefluisterd, ga nu toch eens dood, ik
weiger omdat ik ons ben, het laatste bastion.

met de zachte zeden van begrip wordt niets niets,
een soort eeuwigheid. grijs heeft alle kleuren. tja.
in het trillen van de zonnebloem zie ik jou, mijn maan.

moment (103)


cbdv165

(voor cb)

wij zijn verloren, kwijt in een wereld
die niet de onze is. jij had nog een keuze
& het is goed dat je die nam. maar ik,
wat ben ik nog buiten dit gezwam?

ik staar naar lijnen in mijn hand alsof
ik schrijf alsof ik schrijven moet alsof.
ik teken liefde op jouw borsten, schuw
de lijnen niet & sterf van eenzaamheid.

bloei, mijn bloem, nog eenmaal in mij uit
vergeef mij dit gejank dat jou onwaardig is
liever zou ik bezingen hoe schoon jij bent
maar ik ben ook beperkt tot wie ik ben.

ik leg mij neer bij alle feiten. alle feiten
worden slangen, misbaar in mijn bed vol slijk
dat ooit een troon was, hemels ledikant.

les molinets à la plage


 

DSC04278“Les Molinets à la plage”

cbdv 2016, woodchips, bister, ink, papercuts, flower petals & metallic paint on paper, pasted on wood A2

Les Molinets à la plage

mama mama er zijn monsters daar
zoontje bouw nu maar jouw zandkasteel
papa rookt & drinkt martini, het
appartement geurt naar zweet & drek.

mijn bootje van papier gaat straks
naar dover varen, bots de krijtrots op.
mama wil haar borsten bruinen, papa
loert door lenzen naar wat anders.

ik wou dat ik een zusje had, dan konden
we samen ons kasteeltje bouwen &
wachten op de zee, wachten op de zee

mama mama er zijn monsters daar
de zon zont langzaam naar zijn ondergang
het vissersbootje toetert naar zijn vrouw.

DSC04279.JPG

moment (102)


cbdv164(voor cb)

ik spook, jouw lief is dood. ongehoord ik vlij mij
bij de schoonheid neer die diep in jou geborgen
zit. steels streel ik je huid & zucht een zephyrus
je haren door. een kreun, een zucht verlaat jouw

lippen. traag er komt beweging in jouw slaap.
een arm schiet snel & plots & met een stille dreun
doorheen mijn splijtend spokenlijf. petas lilith
kama-rupa!  phfoef. ik zie die glimlach krullen,

jouw naakte rug die in het laken drukt & wiegt.
een tepel rijst als roze rots bij eb uit zee. rood
jouw wangen kleuren, een weeë druppel parelt
uit het verbodene, de geile grot van het genot.

jouw adem neemt een hoger ritme aan. hand
als hete lucht, vinger in jouw vinger. jij draait &
draait & vindt zijn rug. ik sterf mijn tweede dood.

moment (101)


cbdv163(voor cb)

de adoratie van de geliefde staat
in de weg van de geliefde. haar
verheerlijking ontkent haar heerlijkheid.
elk woord verdoet haar lijf & leden

tot doodse letters zonder daad. ik
spreek mij uit in haar maar zonder
stem & mijn verlangen faalt waar
ik niet ben, ontdaan van haar, gebroken

tot een los verband van stom gestamel,
terwijl de wind haar naam wel fluistert
& ik in bomen bloemen bos haar zie
& vogels zingen elke ochtend haar muziek.

mijn lief, waar zijt gij henen? gij koos
mijn dood & liet mij nog in leven:
in deze helse taal zit ik nu te beven.

moment (100)


cbdv161(voor cb)

als jij mijn dood wil, wil ik die jou geven,
ik zie niets beters in dit leven, ik omarm
het zwart, het slingeren van slangen
duisternis die mij bekruipen. graag

lig ik in jouw armen (nergens anders niets.)
mijn liefde voor jou is onherstelbaar.  genot
dat ode is aan leven omdat jij mijn leven bent.
maar je zegt niets. je doet niets. begrijpelijk
omdat begrip een begrip is, & dat grijpt
tot diep in mijn lijf, alsof ik word uitgerukt,
verwijdert van dit bestaan, ontdaan van recht
ik ben onbestaande in dit heelal, zon in leegte.

ik blijf van u mijn lief, maar wat ben ik nog?
elke dag maakt mij minder, ik heb u nodig.
ik denk dat ik in u ga verdwijnen. vaarwel.

 

moment (99)


cbdv159(voor cb)

je moet eerst vallen voor je vliegen kan,
vertraagde vlucht, aarde als bedreiging
vol beton & zonder zucht. plots terug lucht.
blauwe luchten hebben zwart erachter

waarin je zweven kan & dromen ik heb
het ergste nu wel achter de rug. zo breed
is niet die smalle lijn die wij belopen
de wervels ik & jij zijn flinterdun.

de toekomst is een schim van het toekomende
waarin de dood ons allen wacht & lacht.
je moet eerst rennen voor je lopen kan,
kruipen, smeken, vooraleer je tanden hebt.

jij moet niets. jij hebt het zalige gevonden,
de kracht van het verrukkelijke waarin ik
lelijk leef. ik wil in jou sterven wijl ik beef.

moment (98)


cbdv158(voor cb)

engeltje, angeltje, lief van mijn lijf, steekwesp
in het volle duister van mijn nacht, streling
van duimen & voeten, laatsteling  van mij,
afronding van mijn miserabel heelal, ik

die niets heb gedaan. diefstal, ja, van liefde.
vergeef mij de eenzaamheid der gedachten.
je hebt mij duidelijk gemaakt dat ik
niets waard ben. soit. het wit op een blad

vraagt om beschreven te worden. dan maar
zonder mij. ik word vlinder in jouw buik,
rups op je armen, rode verf op je penseel,
zucht in je mond, de uitademing van een wereld

die niet de onze is maar ons omwentelt
je veux et je viens entre tes reins. elke
nacht. de nachten zijn heerlijk afgrijselijk.

moment (97)


cbdv157(voor cb)

pimpel pimpel pimpelmezemeis, hoe
kon ik jou verliezen? qu’est que c’ est
que ça, mijn snoezepoefelwoef? in het
vèrnis der dagen kijk ik uit naar jou.

de eeuwen volgen wel, minuten ook,
& elke seconde dat ik jou als deel
van mij tot in mijn kloppende aders
mis. jij bent het beste dichterssletje

ooit, vergeten kan ik jou nooit. wat
ben ik nog zonder jou & jouw afvallige?
ik weet dat weldra wij elkaar gaan
wederzien, hoezeer ook jij dat ontkent.

je veux te frotter, mijn liefste, teder
als een vlindervleugel die vanavond
sterven moet. kers. touf de fouf. slaap.

 

 

moment (96)


cbdv156(voor cb)

mijn treuren is een wrede god die zomaar
over mij beslist. hij verandert lachend licht in
droeve duisternis, hij geeft mij ‘s ochtends
heel de blijdschap van jouw wonderlijk bestaan

om het dan in mijn gemis weer stuk te slaan.
mijn treuren is een duivel die mij voedt
met liters drank & jouw schoonheid die verblindt.
mijn huis is gans bekleed met parels, tranen,

uitgestold verlangen, tijd waarin ik jou niet vind.
ik zie de bloemen, vogels & de vreugde alomtrent,
terwijl mijn lijf zo leeg is & mijn stem slechts kermt.
mijn treuren is een deken in het bed waar jij niet bent.

ik moet nog dagen wachten, dat hebben god & duivel
mij vannacht in deze hel verteld. dwaze woorden.
de dag bestaat niet dat ik mijn liefde, jou ontken.

moment (95)


cbdv155(voor cb)

ik ben alleen. alleen voor jou. waarom
dat weet ik niet. de vogels spellen mij
jouw naam, ik zie  bloemen wiegend
liedjes voor jou zingen, zomaar, zonder

mijn gezag. misschien kijk ik wel weg
van mij, van jouw satijnen huid die
mij met erbarmen bekleedde, lippen
die mijn lippen zoenden. zie ik mij niet?

ik verga in jou. stilstand van de tijd.
herinnering is geen belofte. beloven
doe ik dit: niemand kan jou raken,
heel de lucht zit engelachtig dicht.

kastelen zal ik voor jou bouwen, kerken,
hier en daar een sloens gehucht. ik schenk jou
nu alvast mijn kathedraal, omdat ik van je hou.

moment (94)


cbdv154(voor cb)

ik heb gedroomd dat wij vlogen, onze schouders
in elkaar vergroeid tot monsterlijke vleugels.
spier op spier voelden wij elkaar, vel op vel.
onder ons verschroeide de aarde, mensen

werden lucifers. nu droom ik dat wij vliegen
vrij van al het kwaad. geef mij de ruimte
om je lief te hebben, toon jezelf, tot wat
ben jij in staat? ik kan de hemel openrukken

voor jou, tot je de koude ziet van het heelal.
er ligt een steentje in mijn hand dat alles zegt.
ik wil niet dat jij ziet wat ik zie, zo’n vloek
brengt enkel ergernis, ongeduld & misverstand.

ik heb jou zo lief, mijn lief, dat ik met mijzelf
jou niet raken wil. alleen de droom van jou
& mij is te mooi, hoe wij vliegen, wat wij zijn.

moment (93)


cbdv153(voor cb)

is het niet beter dat ik sterf voor jou? dan
ben je ook van al dit gemis verlost? het
lijden aan overlijden, hemel die er maar
niet meer, niet komt? ik heb genoeg gezien

van het gestrompel in de gangen van het niets,
ik ken het opgefrompelde fatsoen, de glimlach
naar nu terwijl er nu geen nu meer is. hoe wij
waren, besluiteloos in de zwarte cel van de tijd.

ik wil mijn leven in jouw handen geven, rillend
van angst omdat ik sterven moet, maar is het
niet beter dat ik dat ongezien doe, opdat jij jij blijft?
ik heb jou altijd alles willen geven. dit is blote rest.

rust vind ik hier niet meer, ik denk teveel aan jou.
word elke  dag wakker met een plukkehare hoofd
op mijn schouder, dat er niet meer is. dank je.

 

 

moment (92)


cbdv152(voor cb)

in het spel van licht & donker krijgt
het zwart altijd de bovenhand. niets
daarvan is triest, alles is in niets & niets vervat.
elk moment is diefstal, streling van het oog.

van liefde natte vinger zachtjes op de iris,
wimpers die je amper raakt tot alles strandt
in een vergeefs betoog. beuken tot je komt,
terwijl ik jou slechts omarmen wou met ons.

ik wil mijn huid bedekken met het zoenen
waarvan ik droom, bleek laken waar ik
onder slaap, bevlekt met jouw verlangen.
laat ons de wereld nog eenmaal tonen

wie de wereld is. dat waren wij. mijn handen
zijn getuigenis. beweging herhaalt beweging.
elke lijn daarin is vol vergiffenis. wij zijn is.

moment (91)


cdbv151(voor cb)

het is maandag & de maan is weg
het is dinsdag & de dag is weg, weer
woensdag zonder zoen. zon streelt mij,
geeft mij les in sterven, shine on you

pretty thing. ik heb het wrede in handen,
de kruimels liefde liggen aan mijn voeten.
ik durf niet meer bewegen, niets heeft nog
een schaduw van jouw schittering, spiegel

die brak in de ernst waarmee wij wij waren.
de lucht snijdt, ik heb geen bodem meer.
ik word stilaan verschoppeling, rijker
dan ik ooit geweest was, ik voel jouw huid.

hoe ik verglijd, vergleed in jou, vergeet
dat ik besta, vergat, de tijd is een illusie.
mijn leven is doods, herinnering aan jou.

 

moment (90)


cbdv150(voor cb)

ik treur niet omdat ik treuren moet, ik treur
omdat ik niet anders kan. je hebt mij verlaten
in de volte van je belofte, bruut & schuw
van het verlangen dat wij samen kenden.

de reden was correct, de oorzaak niet. doe
mij dood, zet mij het mes op de keel, alles
is beter dan dit verdict. ik kan niets zonder
jou, ik stamel & ik strompel, waardeloos

in de albert heyn van het heden. de draad
van jouw naar mij is slingerende klimop
met knopjes bloemen op, geel & wit
de schoonheid die wij waren is ongezien.

probeer het lied te zien, de kartels om wolken,
het fijne streepje inkt dat ik jou bijbracht, ik
wil dat het je goed gaat, maar zo, zo gaat het niet

moment(89)


sbdv149(voor cb)

de stilte valt zoals een stilte vallen kan,
droog, een straaltje water in het zand.
de adem is niet uitverteld:  des nachts
ril ik omdat ik mij hoor ademen, heb

geen recht meer op die lucht. schuldig
ben ik niet, maar alle schuld is wel mijn
deel. had ik maar, mijn hand in haar,
de tederheid kunnen mededelen, liefde

die hier nu vergiffenis vraagt, onmacht
die zich aan een touwtje hecht, een steen.
ik nijp mijn kont toe voor de dood die
komen gaat, ik heb dit niet verdiend.

alles wat ik zie van ons is schittering,
oogverblindend zonlicht & verstrengeling,
de eeuwigheid vergeefs gevonden in elkaar.

moment (88)


cbdv148(voor cb)

de wereld is een tekstverband waaronder
liefde woekert. open wonde, ongezien, mis,
fout & slopend stout. het regent. ik heb jou
niet gezien, je had de kap op van een ander.

de wereld is een code die ik niet lezen kan,
ik slaag er niet in, geheel onbekwaam, als
mijn schoonheid niet duren kan, laat ze
vergaan, ik zal u de data laten geworden.

vergeefs, in mijn donker hol treur ik om
jou, ik voel je lichaam als het mijne, rein,
bevrijd van kwade wil, alleen de wens
om naakt, belangeloos bij u te zijn. ik

heb u lief, mijn lief, er is zoveel dat ik
je nog zeggen wou, de vlucht van vogels,
de stilstand van een bloem, & jij. jij.

moment (87)


cbdv147(voor cb)

wat voorbij is krast mij in de ogen als
ik omkijk. ik dacht daar een eendere
schoonheid te vinden, die er niet meer is.
de dood is prozaïsch & banaal & kil.

niets van wat ik denk (het regent) houdt
steek. ik kom steeds op hetzelfde punt
terecht in de spiraal. daar sta ik dan te
treuren, boekje bevend in de hand. stil

bij het tikken van de scheve klok, dronken
strompelend van a naar z. ik haat mijzelf
bij het zingen van de vogels, het razen der
dure automobielen, neerwaarts. niets

voelen is heerlijk, een zwart zweven waarin
al onze kleuren zijn vervat, de uitwaai van
gevoelens, zachte vlindervleugels om mij heen.

moment (86)


cross_inv

moment (85)


cross

moment (84)


vooruitgang(voor cb)

het (de stekels verleden krassen hem de ogen
kijkt hij om & verschrikt dacht hij het schone
nog te zien kijkt hij weerom het zwart in & het
melodieuze zuigen van de afgrond blow job

van de dood. in spiralen zijn rottende denken
houdt halt bij eender punt op de doorsnede
falen het grijpen van de ten dode naar begrip
kale plekken in de bonte zwerm van zijn droom

tik zoekt de tak van de klok maakt de intro met
dalende polluenten. koffie zoekende de koelkast
zet in haar spacey beat & toch ook daar zijn
roekoe & krijskraai & suskewiet. weent) regent.

schreeuwen zal ik bij het onthaal kopstoot
vuisten links & rechts voor man & hond 3
x de lethe in tot ik ginds voor jou versteen.

 

 

moment (83)


cbdv132(voor cb)

het gieren van de wind (de wind giert)
het razen van de wind (de wind raast)
het gillen van de wind (de wind gilt)
het woeste van de wind  (de woeste wind)

het beuken van de golven (de golf beukt)
het kabbelen der golfjes (de golf kabbelt)
het schone schip verleden (de golf beukt)
zalm spartelt naar de zee (de golf beukt)

de zee stoot diep het land in  (het land wijkt)
de klok galmt in de dorpen (het land wijkt)
straks lacht het natte land (het land blijft)
met de kusjes van de wind (de golf beukt)

ik maak mist op jouw zompige land, tranen
sissend in mijn vuur. jij zegt haastig dag &
trekt de nacht in. ik blijf staan. ik kom terug

 

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 194 andere volgers