atol


270989Ik zeg de dingen zakelijk vaarwel, er
Is een dood in mij die mij verlaten wil.
Banden verdwijnen, ankers vergaan:
Ik word door haar uiteindelijk bevrijd.

Ik ben atol, mijn aders zijn koralen
Ik ben een wegen op het wiegen
Van de immer zilte zee, vonk
In het brullende branden der zon.

Ik spreek uw dag niet langer aan,
Ik meng mijn daden in mijn woord.
Ik wil uw zang niet zijn, het is geen zingen.

Ik zie het naken van de nacht, verlaten
Door de angst, de gramschap der graven:
In een kille bries word ik tot niets ontdaan..

amerikaan


distractio2de bevrijding was een goede zaak
ik lag te rotten in mijn slaap
terwijl er duitsers in mij kropen
& de buren waren belg & kwaad

nu de talen komen samen
geen woord houdt toon noch stand
de letters slonzig breken open
moedwil heerst, & misverstand

ik kan mijzelf verkopen
aan eender wie die mij nog wil
chinees of pool, rus of arabier
betaal mij nu, mijn lijf is hier

mijn stijve hand begrijpt het
iedereen is vrij & klant
ik tel mijzelf tot mij voortaan
ik lees de zin van mijn bestaan

death is not that bad


(gevonden in Euthanasiel, het internationale tijdschrift  van
Euthanasiekliniek Vlaanderen,
een instituut opgericht
met steun van
de Europese Gemeenschap)

death by starvation
is slow & tender:
the gradual weakening
of your bodily functions
softens your resistance
& takes away your pain
enables you finally
to  think clearly
& when your thoughts
come to their conclusion
your brain lets go
of everything.

death is not that bad
a distant fear that you
once had

death by disease
can be annoying
when you’re not
among the happy few –
strung on morphine
death can be much fun
– but when the nurse
has left the building
you need to get inside
the pain:
there is delight deep
inside the core
of suffering just
like there is more light
within the darkness
that will come.

death is not that bad
it’s just a thing that you
just had

death by strangling
is a pearl of joy
the lack of oxigen
will make your body
quiver, quake &
you will come &
you will shit &
urinate: all your love
will be released
into the emptyness
of your beloved
universe.

death is not that bad
it’s just a wish that you
once had

death by drowning
is quite exquisite
it’s our number one
for folk without hope
you get to swim a lot
amongst your equals
& then the cold
makes you feel
truly old & ready
for the journey

death is not that bad
it’s just the life  you
never had

death by bullet
or accident is sudden
it’s like waking from
a dream into the moment
of a sound before
it’s there
your heart may still
be pumping in despair
but that’s just
another metaphor:
there’s no one there

death is not that bad
it’s just a way of life
that says:

you’re there.

aan de lezer


nkdeE4

DAPHNE, mijn tombe, dit, mijn val in haar
Die duren zal tot ook dit woord vergaat.
Venus niet, de ster waar ik naar staar,
Niet de boog, strak van liefde naar de haat:
Het zijn de doden die ik hier verlaat.
Lees de fouten in mijn epigrammen,
Lust deed mij ze schrijven, dit is mijn daad:
Liefde weerstaat de hel van haar vlammen.

HET LEED NIET BELIJDEN

 

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd). Dit is mijn update van Scève’s achtregelige opdracht ‘A SA DELIE':

A sa Délie

Non de Vénus les ardents étincelles,
Et moins les traits desquels Cupido tire,
Mais bien les morts qu’en moi tu renovelles
Je t’ai voulu en cet Oeuvre décrire.
Je sais assez que tu y pourras lire
Mainte erreur, même en si durs Epigrammes :
Amour, pourtant, les me voyant écrire
En ta faveur, les passa par ses flammes.

SOUFFRIR NON SOUFFRIR

muze


voor a.c.

lampenkruis

Haar woord is stilte, louter visueel
Ik hoor haar met de snelheid van het licht.
Ik zie haar in de klank van het geheel
Mijn vingers typen, zij is het gedicht.
Van tijd bevrijd maakt zij mij speels & licht.
Als ik haar voel, omstreel ik haar kleuren,
Ik schrijf haar neer in bloesemgeuren.
Ik ben haar zijn, zintuiglijk één met haar.
Zij, mijn muze: spil van mijn gebeuren.
Mijn vers is gift, haar liefde dit gebaar.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

ontkenning


boomaria

Ik ben ontkenning van mijn geschriften
Mijn woord is wet, krast door het perkament
Het blad is vlies, kleed om op te liften
Ik schrijf dit niet, ik ben niet permanent
Mijn lijf is heet, dat is mijn testament.
Lyriek is niet wat er geschreven staat
Lyriek is vrij, nu & hier waar het vergaat
Ik wil jou niet, maar jouw hijgen, de jacht
Op het schone, hoe jij in mij ontstaat.
Mijn woord is dood, lyriek is als je lacht.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

initiatie


reva_vleugel

Ik schenk jou mijn verlangen, dit heelal,
De  sluier der stelsels vliedend van nu:
Mijn woord, dit hier, het was er altijd al.
De tijd is daarvan teken, residu:
De eeuwigheid is nu, niet continu.
Omarm mijn waarheid als warmte, gebeuren:
Mijn liefde is dans, zweet, zang & geuren.
Ik geef jou mijn wereld, tedere bries
Die je toekomt, het trillen van kleuren,
Orkaan van lust omdat ik jou verkies.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

aubade


voor s.h.

ophelia_inoculata

De volte van mijn eenvoud keert in jou,
Het licht verschuift, mijn stralen daagt je uit:
Verblind, jouw tranen parelen als dauw
& Schaduw glijdt als strelen van jouw huid
Het git wordt wit, & kleuren breken uit.
Mijn woord is weelde op je lippen, zucht
Mijn hand het woelen, witte wolkenlucht.
Jouw lichaam wentelt zich in lust, in mij
Jouw zang komt los, haar schoonheid is berucht
Diep spreek ik mij uit in jou, & jij bent vrij.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

middenlands


Gevleugelde woorden:
Engelen des doods,
Bevroren gestalten.
Verdroogde drek
In de hoek van een loods.

Drijvende lijken
Zwart, tot het paarse
gezwollen. Kots
Op de baren, slijm
In de zee. Gebaren

Vol hoop gevangen
In het deinen, dal
In het deinen van zee.

Bloed in containers
Mist aan de kust, hand
Die niemand nog kust.

Verzachte bezwaren:
Niets is nog waar,
Maar alles is echt.

Galathea (English version)


Years ago, when the New Cathedral of erotic Misery was mere scaffolding, and i did not really know what i was doing, but it felt good, so i kept on doing it, i had the privilege of conversing with one of America’s foremost intellectuals. The brilliant mind of Alan Sondheim noticed my doings and welcomed me to the Writing-L community, a fact for which i am in his dept and grateful forever. I’ve learned so much from all the people there. Alan apparently enjoyed my work, but he kept wondering, a bit annoyed, why it had to be a damn Cathedral, of all things. My answer then was childishly evasive. I basically and bluntly told him to go ask Schwitters why his Cathedral was eine Kathedrale. The following poem that i wrote this morning comes closer to an honest answer. It is badly rendered in English, and i don’t know if he’ll like it, but still i want to share with you, in his honor. Thank you for the works, Alan!

Oh yes, the title refers to this famous old Dutch song: http://www.liederenbank.nl/canon_top11.php?zoek=176

GALATHEA

I have the beauty in my sight
From when the Occident began in us.
There was no limit to desire
The muse was inside all of us & sang.

We stood beside each other, child after child.
We made our dreams to deeds & deeds were word.
We were g*d, & loved by g*d.
We murdered each & every dream in us.

Europe is a musty cradle, sterile
Blue screen where no one sees no one.
Lampedusa is the wound at our heel
We sink into the slime of this, our area.

I have the writings in my head:
Saints, heretics & a dead philosopher.
I see cathedrals rising
In the swamps of my faith.

Come here, my darling
I will caress your thighs
Stroke your golden strands of hair

And in the morning when the day arrives
All of this land will be on fire.

Galathea


cMother

Ik heb de schoonheid voor mijn ogen
Van toen het Avondland in ons begon.
Er was geen grens aan ons verlangen,
De muze was in elk van ons & zong.

Wij stonden naast elkaar, kind na kind.
Wij maakten dromen daad & daad werd woord.
Wij waren g*d, door g*d bemind.
Wij hebben in ons elke droom vermoord.

Europa is een mufte bakermat, steriel
Blauw scherm waar niemand niemand ziet.
Lampedusa is de wond aan onze hiel:
Wij zinken in de slijm van het gebied.

Ik heb geschriften in mijn hoofd:
Heiligen, ketters & een dode filosoof.
Ik zie de kathedraal nog rijzen
Uit het moeras van mijn geloof.

Kom hier, mijn lief
Ik zal jouw dijen strelen
Jouw gouden lokken aaien.

& ‘s Ochtends als de dag dan komt,
Staat heel dit land in lichterlaaie.

de allermooiste


voor Sanne, die zo schoon Jo Leemans voor mij zong

In de stilte van de eeuwigheid
Bloeien rozen rond mijn ziel.
In de stilstand van de eeuwigheid
Ben ik vrij & mooi & immobiel.

In het licht van het verleden
Valt de schaduw op het heden.
In het licht van het verleden
Ben ik de smart, word ik beleden.

In de hoop van het toekomende
Stuikt alles in tot niets & nooit.
In de hoop van het toekomende
Ben ik de keuze tussen nu of nooit.

In de aanvang van beweging
Is de rust al weergekeerd.
In de aanvang van beweging
Heb ik jou al lang begeerd.

Ik zag jou gaan, dat jurkje aan,
Ik werd geraakt in mijn bestaan.
Ik keek je aan, dat kleedje uit,
Wij zij zo ver van hier vandaan.

In de stilte van de eeuwigheid
Bloeien rozen rond mijn ziel
In de stilte van de eeuwigheid
Ben ik de stilstand, jij het wiel.

 

she’s like a


mistboom

De huid die ons omsluit heet eenzaamheid
Voor het verlangen soms gevangenis.
De trage daad waarmee jij van mij glijdt
Schenkt aan mijn ziel lijf & vergiffenis:
Ik zie de liefde weer die er niet is.
Op dat moment zij wij hier, ons waardig,
Geheel hersteld, rein, lief, echt, volwaardig.
Ik herhaal mijzelf in u, oog in oog:
Alles wordt wat ik voor jou vervaardig,
Ik streel mijn droom, mijn zon, de regenboog.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

Beveiligd: etat de lieu


De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Om deze te kunnen bekijken, vul het wachtwoord hieronder in:

zelfportret, zonder


Het salon is leeg. De stoelen staan er,
Mijn harnas aan de haak, jouw nachtjapon
De woorden die wij waren vergaan er.
Non Si Non La: gebrek is levensbron.nonsinonla
De schilderijen zijn een liaison,
Hechter dan wij waren, doods in elkaar.
Ik zag mijzelf, het is een oud gebaar.
Het vuur brandt nog, ik wou het liever zo,
Je mag de hoop niet doven, hier of daar:
Het is & blijft een droom, een risico.

 

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

nergens


EL

Ik ben jouw bodem die ik niet bereik.
Ik ben het vallen dieper in jouw zwart.
Ik was een daad, maar smelt als sneeuw in slijk.
Ik was een woord, maar ben tot naam verhard.
Ik word gezegd, gezicht, dit boek is hard.
  Wij vinden slechts elkaar in ons bestaan:
De taal heeft ons met liefde aangedaan,
Wij zoeken iets dat nooit iets ergens was.
  Ik ben geheel tot niets in jou vergaan:
Ik was mijzelf pas toen ik nergens was.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

parel


nekel

Ik wil schoonheid schoonheid laten raken
Wimpers langs mijn lippen, hier, oog aan oog,
Stil, je lichaam zee, je ziel een baken:
Beweging is het doel van mijn betoog.
  Jij wordt moment waarin het nu bewoog,
Straal waarmee het licht zichzelf betekent,
Een stroom die in de stroom zichzelf herkent,
Parel in de zin van jouw verlangen,
Geheim dat in een zucht jouw naam bekent:
De wereld breekt, barst, brult de gezangen.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

the book of cities – brussel


 

the book of cities – paris


 

 

2 pages from the book of cities – paris

dv 2015 – glass prints / ink on paper

the book of cities – new york


 

4 pages from the book of cities

dv 2015, glass prints / ink on paper

the book of cities – madrid


2 pages from the book of cities – madrid

dv 2015 – glass print/ink on paper

the book of cities – london


2 pages from the book of cities

dv 2015 – glass print/ink on paper

perforatie


theShellsacraterdoor een veld van afgeknotte stengels
bevroren aarde, lage zon, verblind
verkleumd, de kraai crowd (ik breek mijn engels)
mischief brokkelt af mijn woord, niets verbindtmijn stelsel nog, eyes break, mijn huid vertint.
airborne mijn lijf wordt flies files lifes go up
in designated lies, my name’s a stub.
mijn hand crumbles into code, mijn dood
loopt dood in java. I halt. mijn wed is nood,
I run inside this genocide, mijn tijd
wordt uitgestrooid, de wind mijn bedgenoot.
falen wordt fragiel frail & jij bent spijt.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

songs in the nick of time (1)


Dürer

April 2015. Dromen zijn een plaag geworden.

Ik word wakker bij mijn geliefde. We zijn tot glans verstrengeld, de zon herkent zich in haar gouden haar. Ik kijk naar het uur, schrik & zeg dat ik uit werken moet. Er volgt een kreuntje, ik doe mijn broek aan, mijn tenue. Ik ga zwijgend de berg af, één met haar, de ruimte is herleid tot singulariteit, de onze.

Ik sta te wachten op de bus, de lucht betrekt. De auto’s aan de overkant schuifelen de stad in die ik verlaat. Er verandert iets, als bij teken, overal. Een zwerm vogels vlucht schriekend zuidwaarts. Een blauwe Volvo versnelt & boort zich in de koffer van een Citroën voor hem. De chauffeurs stappen uit & slaan elkaar verrot.

Ik wil hier niets mee te maken hebben, dit is niet mijn dag. Laat het zijn.

Een jonge vrouw aan de overkant slaakt plots een kreet. Zij staart mij aan alsof ik Elvis ben. Ze ontknoopt haar loden jas, doet haar rok uit, gooit haar slipje op de steenweg & roept iets onverstaanbaars. Ze is zo geil dat ze de wind wil neuken.

Mijn bus komt eraan, een gevaarte met gele ogen. Ik grijp mijn portefeuille, & dan zie ik het: mijn abonnement is weg. Op de plaats waar het zat prijkt enkel het visitekaartje dat ik erachter had verstopt.

Fuck. Zou ze echt? Ja.

Ik zink. Ik ben een krab die letters krabbelt op de bodem van de zee. Ik murmel iets tegen de chauffeur, rijdt u maar door, ik heb het niet. Hij scheldt mij uit voor doffe lul. Dan zie ik haar komen, de berg af, mooi & lachend & zwaaiend met mijn abonnement. Ik denk niet dat ze weet dat het mijn droom is. Ze tongzoent haar vriendje & steekt mijn abo in de fik.  Ik word wanhopig, wat staat mij te doen?

Een jongen komt aangefietst, wijkt uit voor mij die naar haar te roepen staan. Hij schuift uit,  valt, een vrachtwagen probeert hem te ontwijken & slaat om. Ik hoor hoe zijn hoofd verbrijzeld wordt. De lucht verduistert verder, wolken trekken samen tot het zwarte kleed van de nacht. Dronken tieners hebben een grijze BMW buitgemaakt & knallen die de gevel in van een huis op tien meter van mij. De helft van hun auto ricocheert de baan op, het meisje wordt uit de wagen geslingerd & is dood vooraleer ze voor mijn voeten ploft. Een andere wagen stopt, een man stapt uit, valt op zijn knieën, begint te bidden  midden op de weg. Jullie lopen lachend weg.

& Dan begrijp ik het. Er komen grillige scheuren in het beton. Iemand naast mij snijdt zich de keel over. Het gerommel in de verte zwelt aan tot een oorverdovende dreun.

Iedereen wist het al. Van ver, mijn richting uit, begint de aarde zich te splijten, met hemelhoge fonteinen van vuur. Shit. Ik heb nog een halve seconde, denk ik, net voor ik wakker word.

Winterlied


li-006-5Fragiele poorten, noorderwind & schriel
De meeuwen krijsen aan het strand. Nood brandt
In de magen der verdoemden, de hiel
Is naaldhak, bijtend zuur, het droge zand
Verglijdt in de klemmende hand, de wand
Is leegte naar de andere wand, niets
Is volledig, het licht is van kant, iets
Heeft mij in mij als van papier verbrand.
  Ik wil jou lezen & ik zie het niets,
Zwarte brij, zwaarte, inkt op inkt, mijn land.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

parel


dwijnenDag jij. Ik kus je huid, zilte parel
Van de dood die ons omsluit, ik draai om
& Om jouw zuil van licht, het is een rel,
Staatsgreep, vlecht, lok, ik voel mij heerlijk dom
& Slecht omdat ik vroeger dan jou kom.
Die ochtend dan. Ik blijf erin bestaan.
Jouw lach is goud, de zon wil in jou gaan.
Er is de nevel van jouw zijden kleed
Dat ik tot hemelrijk verhef, de maan
Heeft hiervan weet. Zacht zoen ik ons, mijn leed.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

tong


tingeling

Op het einde der tijden, de dood van de nacht
Zal ik als een ster verschijnen, minnaar
Van uw al. Ik kleur uw wangen rood, zacht,
Mijn licht is jurk, glijdende zijde daar
Waar uw oker zich onthult, huid, gebaar
Van u in het nieuws van mijn eeuwigheid.
Ik laat mij door uw leden leiden, scheid
Hemel van aarde, hel van ons zijn, lik
De tong van ons bestaan: stilte, waarheid,
Kilte in de klaarte, mijn woord ben ik.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

er


Er is geen god die hier voor ons bestaatburundiwich.
Er zijn geen wetten die ons leiden kunnen.
Er is geen vijand, geen duivel die ons haat.
Er zijn geen woorden die ons redden kunnen.
Er is leed dat wij met wrok verdunnen.
Er is spijt, verdriet dat wij niet willen.
Er is weelde die wij nu verspillen.
Er is schoonheid, diep in de lelijkheid.
Er is een zucht die taal doet verstillen.
Er gaat aan ons voorbij, haar dode tijd.

 

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

grandeur


voor ons ma, op haar verjaardag

Een moeder is een waterachtig land,
Een vaststaand feit in de stroom van de tijd,
Oever van liefde in de laagste stand
Wanneer verlangen in de zee van nijd
Vergaat tot korrels in de eeuwigheid.
Een hand gaat door je haar, er is die geur
Van speeksel op je wang. De laatste deur
Die steevast openstaat, gaat even dicht
& Er wordt licht geopenbaard, grandeur
Van leven waarvoor elkeen zwijgend zwicht.

 

schaal


wombchildDe steen der wijzen is een dode klomp.
Ons hart van goud is stervende, orgaan
Dat in mijn lichaam klokt, slokt, blind & lomp.
De hemel is een dunne laag bestaan
In de ruimte die ons is aangedaan.
De groene leeuw is driest, een bijtend zuur
Dat tijd verdrijven wil uit ons, elk uur
Verschrijft tot verlangen naar een metaal
& Ook de taal verkrampt de tijd tot duur:
Voor eeuwigheid, nergens, is er een schaal.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

nu


en

In de droom van mijn daden, de wilde
Schijn van het gebeuren, zijn de dagen
Mist & zon & velden die verstilden
Tot de kilte van dit leven, jagend
Naar mijn heetste dood, het nu verdagend
Tot ooit, een hier of daar of toch maar nooit.
In de daden die ik droom was er ooit
Het ergste ware, droom die daad doorbrak:
Ik, schim met mijn verlangen opgetooid,
Die u bezocht, uw zijn waar ik naar snak.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

nimmer


Het droeve pad dat ik ben, de snelweg
Naar mijn dood, kruiste vandaag
De elegante tred van een dame,

Wiens haar was goud, wiens geur
Was myrthe & een stormwind waaide
Door heur haar toen ik naast haar stond.

Ik snoof & zag, een weelde, weergaloos.
Het bracht mijn zinnen in vervoering
Herleidde  woorden tot een ademstoot.

Naderhand, toen ik haar & zij mij
In de koude & het duister achterliet,
Besefte ik de waarheid van dit lied.

Weergaloos, wou de wind mij zeggen,
Is dat hetzelfde niet & nooit hetzelfde is,
Omdat hetzelfde nimmer heeft bestaan.

voor mijn dochter, op haar verjaardag


In de klare spiegel van de dood
Herkent de mens zichzelf, leven
Dat in schijn & wezen, as & rook

Verdwijnt, de omvang, rijkdom
Krijgt van onze nietigheid. Al
Wat is gebeurd wordt dan verbeurd

Verklaard, alsof niets nog zin
Verkrijgt, verkregen kon of ooit
Een toekomst had. De harde tijd

Verbreekt de band met eeuwigheid.
Niets is minder waar. Alles is daar.
Liefde is een rijk, maar geen volledigheid.

In de ogen van zijn kind, haar kracht,
Moed & mededogen ziet de vader
Klaar de schoonheid van het eindeloze.

3 canto’s


voor mg

1.

Er was een dame ooit, mijn dag was vrij
Die ongevraagd voor mij haar ziel ontblootte
Ik zag haar naakte lijf, de huid van oker

Die ik als vloeibaar goud dronk, beminde
Ik ben een alchimist die dingen met de tijd
Verbind & word te vaak door lust verblind

Ik lag naast haar, de streling van de lokken
Bedolf mijn aangezicht, de hemel was klaar
De wereld blij, de last werd minder zwaar

Het gave van haar gift ontging mij gans
Ware schoonheid heeft een te hoge glans
Niemand kan dat licht, die weerschijn aan

Nu leef ik in de duisternis van het gebrek
& In het vage vuur van de herinnering
De plaag van alle woorden rondom mij

 

2.

Langs de stilte van elk ogenblik
Glijdt traag een traan de ruimte in
Van elk verdriet was vreugde het begin

In het midden van de weg die leven is
Staat dood in streepjes kalk geschreven
Het breken van de leegte duurt maar even

De schoonheid is niet ons gegeven
Het ware is te fanatiek & er is niets
Elk ei is broos, vergooi het onze niet

Het schuim, het kolken van de waanzin
Is de spiegel van de zon, de zee
& Alle rotsen zullen ooit tot zand vergaan

In de liefde sprekend uit jouw ogen
Heb ik mijzelf gezien, & hoe ontdaan
Zijn wij niet als die blik blijkt te vergaan.

3.

In de burcht van mijn verlatenheid
Waar spoken vrienden zijn & kinderen
Verdwalen in de loop van mijn gedachtegang

Valt soms een woord dat mij verbijstert
Omdat ik ervan de klank niet meer herken
Ik stuif dan uit & daal als stof & as & gruis

Op onbestaande vloeren, grond, kamers
Waarin geen mens meer huist. Niets verbergt
Het alles dat het niets omvat, een vaste kluis

Voor het verborgene. & Dan zie ik plots
Als bij wonder alle sleutels & de code
& Hoor ik weer jouw zucht & het gefluister

Die nacht, het tedere van jouw omarming
Jouw mond die naar mijn lippen reikte
Jij sprak het woord zo zacht, mijn naam.

last


DSC03211In het verdroogde oord van dit bestaan
Worden mensen woorden, woorden breken
Het licht is jaren ver van ons vandaan,
De zon straalt krom, enkel dit, de bleke
Schijn van het schone waar ik op reken,
Blijft in mij bestaan, alsof ik iets was
In dit tomeloze tuimelen. Past
Mijn hand niet in de handschoen van Uw niets,
Misschien? Heb ik iets misdaan? Is er last
Omdat ik van U heen wil gaan? Toch iets?

dialoog


triskelion

– Hoe leeg het leven is zonder onze liefde: volledig. De armen om elkaar, gekruist, fragiel, behoeftig. De woorden door elkaar, alsof het ratten zijn. De gebaren verzanden in een droog gefluister. Angst. Lelijkheid. De weg is weg, een doolhof zonder jou. Herinnering.

– Inderdaad. Woorden lijken op restanten. Weerloos verzet tegen het gebeurde. Het is zo ver. Alles is over. We praten niet meer, niets is nog nodig. Laat ons samen zitten. De hoofden gemuilkorfd tegen elkaar. Bidden dat het beter wordt.

– Alles is verloren. & Dan duikt het weer op. Mensen zijn mooi.

– Nee….nee…neen
Mensen zijn niet mooi..mensen zijn zus en zo zijn hier en daar maar nooit ergens…

– Goed, ik begrijp het. De horror is tijdelijk. Kom hier. Ik leg mijn vinger op de eeuwigheid. Het ogenblik is klaar. De duisternis wordt door het kreunen aangestoken. Verheldering is een gebaar. Er is pas stilte als het heeft gesneeuwd. De stemmen stemmen zich af op verlopen woorden. Stem voor mij. Ik ben toch goed voor jou. Jij bent het krullen van een opgebrande lucifer, daad bij het woord, melk bij de kat. Schat.
Ik draai mij uit de warmte van het gedane, ik leg mij neer bij wat ik ben. Geef mij het verslag, hoe verderfelijk ik ben. Ik streel je huid & lik je lippen naar een zwijgen toe, Ik was in jou & ging aan ons voorbij.

– Wat ik weet, wil ik niet weten. Wat ik zie, wil jij niet zien. Wat ik hoor is ruis. Mijn arm is onomwonden. Ik ben onbesproken. Mijn hand blijft ontoereikende. Wat ik voel, vermorzelt mij. Ik ben Niets, Alles wordt door mij verklaard. Het bloemetje mag blijven. De dag staart zich dood in de dag die niet bestaat. De weg blijft onbewogen. Laat mij  met rust als ik schrijf. Het noodlot is van alle tijden.

nijd


li-006-2December. De boom staat naakt & bevrijd.
De huizen glimmen & de spin gaat dood.
De kale maan houdt niet van narigheid
Zij wil haar aarde echt & waar & bloot.
De zon loenst schuin, zijn gluren is lood.
De mens is klein & krom, kop in kas, koud
Zijn zijn gedachten, lelijk, dom & oud.
Niemand heeft haar licht gezien, ooit liep zij
In mij verloren, haar adem bevroor tot goud.
Spijt verglijdt naar nijd.Ik ga aan ons voorbij.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

hard


chemins

November. Verlangen werd gehunker.
Zwart is de weelde van het gedane.
Ik, in de schriele wind van mijn bunker
Verwend in de wentel van de wanen:
Ik ben verdriet, maar zonder jouw tranen,
Bedrog in het zog van een belofte,
Leugen als lijf van wat niet mocht &
Liefde in de verstrengeling van toen,
Zin, herinnering aan het bezochte.
Hoe hard is het ware, hoe zacht een zoen?

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

de verstomden


“O, der Wansinn der großen Stadt, da am Abend / An schwarzer Mauer verkrüppelte Bäume starren”
Georg Trakl – An die Verstumten

MLEFITV008

Grotesk doorschoten grauwe berg bederf,
In plas & blik vergeefs een spiegel zoekt
Zich het mismaakte, schuift van erf naar erf.
  In lekke kelen Waanzin gorgelt, vloekt
Dat Zin alhier geheel is opgedoekt.
  Hoeren dealers druipen door de straten,
De heer zijn wijf heeft ons lang verlaten,
Zijn dronken geraamte sjokt naar de put:
Er is geen ziel meer om nog te haten,
In gaten het Niets verhardt zonder nut.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

klacht


“Schlaf und Tod, die düstern Adler / Umrauschen nachtlang dieses Haupt”
Georg Trakl, Klage

dagsluiting

Slaap & dood, uw zwarte zeilen ruisen
Zinsvergruizend de nacht lang door dit hoofd:
Woorden worden korrels, letters gruis &
Binnen stormt het Niets, stom als beloofd,
Koud & stil, zo wordt ons ‘t leven geroofd.
  Lijven rijten open op de tanden
Van de tijd & niets heeft nog om handen
De stem die schreeuwt & zwalpt & snikkend zinkt:
Diepte gaapt waarin wij dan belanden.
  Het vlakke zwijgen van de nacht weerklinkt.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 171 andere volgers